Juridische loyaliteit en de tragiek van de zwakke ruggengraat
De kern
Waar het verhoor van Femke Halsema de intellectuele overgave aan de Rule of Rescue blootlegde, toonde het verhoor van voormalig minister van Justitie en Veiligheid Ferd Grapperhaus een heel andere, maar minstens zo destructieve dynamiek: de tragische spagaat tussen diepe innerlijke wroeging en een absolute, bijna slaafse juridische loyaliteit aan de eenheid van het kabinetsbeleid.
De avondklok lag al in september 2020 op tafel. Grapperhaus heeft die steeds van tafel geveegd, tot de druk op IC's en vanuit het OMT te hoog werd. Na een lange strijd van november 2020 tot januari 2021 ging hij uiteindelijk onder druk van de "orkaan van het virus" en volgens de RIVM-modellen dreigende overvolle IC's overstag, nadat OMT een voor hem "waterdichte" onderbouwing had moeten leveren zodat "juridische proportionaliteit" [wat dat ook moge betekenen….] verondersteld kon worden.
Wie puur naar de emotionele uitbarstingen en de waterlanders tijdens zijn verhoor kijkt, ziet geen toneelspel, maar een man die bezwijkt onder de druk van zijn eigen geschiedenis. Grapperhaus is schuldig, en hij weet het. Hij heeft wroeging, en hij voelt het. Tegelijkertijd.
De psychologische realiteit van Grapperhaus vertoont parallellen met het klassieke motief van Judas of Koning Creon in Antigoné: hij heeft zich gaandeweg het proces laten misbruiken en bleek simpelweg te slap om op het cruciale moment 'nee' te zeggen tegen de politieke druk van de ministerraad. Zijn grootste politieke makke is echter dat hij de gave van de pathologische leugen mist; hij mist de gladheid van een Mark Rutte of de rücksichtsloze rigiditeit van een Hugo de Jonge om zijn daden met een strak gezicht recht te praten. Grapperhaus is daarvoor te veel jurist en, paradoxaal genoeg, in de kern te integer en te eerlijk. Hij kent het rechtsstatelijke kader, overziet de consequenties van zijn uitspraken, hij is zo empathisch dat hij de schade ook innerlijk voelt en weegt tegelijk heel rationeel elk woord om geen definitieve politieke vijanden te maken. Juist door die innerlijke tegenstrijdigheden valt hij tijdens het verhoor hopeloos door de mand.
Het had hem gesierd als hij de politieke kaarten direct op tafel had gelegd en hardop had uitgesproken wat iedereen al wist: dat het beleid primair werd gedicteerd door de as Rutte-De Jonge. Dat hij dit naliet en de verantwoordelijkheid niet afschoof, maar formeel bij zichzelf hield, getuigt in dit geval van een wellicht misplaatste, maar ook positief te duiden diepgewortelde beroepsethiek. Hij was de minister van Justitie; hij droeg de staatsrechtelijke verantwoordelijkheid voor de repressieve wetgeving, en dat besef vreet hem van binnenuit op. Dit maakt zijn optreden niet alleen laakbaar, maar ook intens tragisch. Eenmaal over de streep getrokken dreef hij, gedreven door die onvoorwaardelijke loyaliteit en de doctrine van de eenheid van kabinetsbeleid, de repressieve besluiten er consequent doorheen. Wat voor de buitenwacht een onbegrijpelijke tegenstrijdigheid lijkt, is in de psychologie van de loyale topjurist volstrekt logisch: de regels van het spel gaan boven de persoonlijke moraal.
Nieuwe onthullingen uit het verhoor: De jurist versus de emotie
Tijdens het openbare verhoor door de parlementaire enquêtecommissie Corona kwamen er concrete feiten en harde confrontaties naar boven die deze innerlijke spagaat pijnlijk bloot legden.
De botsing met Mutluer over het politieadvies
Een belangrijk moment in het verhoor was de felle botsing over het politieadvies met commissielid Songül Mutluer. Toen de commissie hem confronteerde met een advies waarin de politietop stelde dat een avondklok niet nodig was en voor veel onrust zou zorgen, greep Grapperhaus direct in als een rasechte jurist. Hij verweet de commissie selectief te citeren en "een stuk over te slaan". Hij hamerde erop dat de politie had geschreven: "tenzij er een medische noodzaak is".
Hiermee verschoof hij de verantwoordelijkheid subtiel maar resoluut naar de politie, die zelf aangaf dat handhaven weliswaar lastig zou zijn, maar het bij medische noodzaak wel te doen zou zijn. De politie gaf een genuanceerd advies met een voorwaardelijke escape clause; Grapperhaus gebruikte als een gehaaide advocaat juist dÃe clausule om het negatieve advies terzijde te schuiven.
De waterlanders: wroeging zonder consequenties
De werkelijke emotionele knak — de waterlanders — ontstond toen de opeenvolgende verlengingen van diezelfde avondklok aan bod kwamen. Grapperhaus schoot zichtbaar vol en had een zakdoek nodig toen hij hardop reflecteerde op de menselijke schade. Hij bekende dat hij destijds dacht aan de mensen die "gewoon vereenzamen" en noemde specifiek de daklozen die door het avondklokbeleid "verschrikkelijk de pineut waren".
Hier toonde hij zijn diepe wroeging door ruiterlijk toe te geven dat de proportionaliteit per verlenging steeds verder te zoeken was, en dat hij achteraf gezien bij de latere verlengingen had moeten zeggen: "Ja, dat doen we niet."
Maar.Hij zei het nÃet. Niet bij de eerste verlenging, niet bij de tweede, niet bij de derde. Zijn geweten functioneerde nu pas als een emotionele uitlaatklep — de waterlanders kwamen nú, voor de commissie — maar destijds in de ministerraad bleef het stil. Dat is geen tragiek; dat is morele lafheid met uitgestelde tranen.
In het hypothetische geval dat hij in januari 2021 had geweten dat de avondklok ruim 3 maanden zou duren, had hij, als de Tweede Kamer dan ook niet op de rem was gestaan, zijn portefeuille opgegeven.
De Tweede Kamer als stille medeplichtige — en Grapperhaus' fatale hoop
Hier komt een cruciaal element dat in de verhoren onderbelicht bleef maar dat Grapperhaus zelf onthulde: hij hóópte dat de Tweede Kamer de avondklok zou tegenhouden. Hij zag de disproportionaliteit. Hij voelde de onrechtmatigheid. Maar in plaats van zelf de streep te trekken, legde hij zijn morele verantwoordelijkheid bij de volksvertegenwoordiging — en die ging akkoord. De Kamer gaf groen licht.
En toen gebeurde er iets fataals. Zijn democratisch-rechtsstatelijke inborst, die hem tot dan toe had doen twijfelen, werd nu juist de motor van zijn overgave. Het parlement had gesproken. De democratie had geoordeeld. En dus zette hij zijn geweten opzij en voerde hij de avondklok niet alleen uit, maar verdedigde hij die vanaf dat moment met volle overtuiging richting elke criticaster, ook richting het Veiligheidsberaad dat zeer kritisch bleef.
Dit is de meest tragische wending in het hele verhoor. Dezelfde rechtsstatelijke principes die hem tot een integer jurist maakten — respect voor de democratische besluitvorming, loyaliteit aan het parlementaire proces — werden het instrument van zijn morele capitulatie. Hij gebruikte de democratie niet als schild voor de burger, maar als excuus voor zichzelf. "De Kamer heeft besloten" werd zijn "Befehl ist Befehl" — met het cruciale verschil dat hij het zelf had gevraagd, zelf had gehoopt dat ze nee zouden zeggen, en toen ze ja zeiden, zelf de consequenties trok. In de verkeerde richting.
Het bekladde huis: slachtofferschap als schild
De immense druk en spagaat waaronder hij destijds opereerde, werd extra tastbaar toen hij de commissie foto's toonde van zijn eigen huis, dat tijdens de pandemie meerdere keren was beklad. De toon in de Kamerdebatten en de samenleving hadden geleid tot een angstaanjagende situatie, die volgens hem werd aangezwengeld door complotdenkers en zware criminaliteit.
Ook hier zit een fundamenteel probleem. Waar Halsema de polarisatie mede aan zichzelf en de bestuurlijke elite weet, draait Grapperhaus de causaliteit om: niet het disproportionele beleid veroorzaakte de woede, maar "complotdenkers" en criminelen veroorzaakten de bedreigingen. Dat is oneerlijk. Natuurlijk is bekladding van een woonhuis onacceptabel — maar het is een symptoom, niet de oorzaak. Grapperhaus weigert tot op heden te erkennen dat juist het idiote en disproportionele karakter van het beleid de voedingsbodem vormde voor de felle reacties uit de samenleving. Sommige daarvan gingen over de grens van het betamelijke, maar de onderliggende woede was niet irrationeel. Ze was een reactie op ónrecht.
Het schetst de totale, tragische ontwrichting van de man die de rechtsstaat moest bewaken en tegen zijn diepste geweten in gewetenloze maatregelen afkondigde om de veiligheid van co-morbide coronapatiënten te zekeren, maar daardoor niet alleen zijn eigen woning maar ook zijn moreel blazoen besmeurd zag worden. De ironie is verpletterend: hij offerde zijn geweten op voor de rechtsstaat en moet nu op zijn woorden letten om niet door diezelfde rechtsstaat veroordeeld te worden. Of, misschien beter: hij offerde de rechtsstaat op via noodverordening en het opereren buiten democratische controle om, puur om levens te redden, en verloor daardoor zelf de bescherming van diezelfde rechtsstaat.
De parallel met Halsema: verschillen die ertoe doen
In de kern is de tragiek van Grapperhaus vergelijkbaar met die van Halsema, maar de verschillen zijn interessant.
Beiden waren intellectueel en moreel mans genoeg om de fundamentele weeffouten, de onrechtmatigheid en de disproportionaliteit van het beleid te doorzien. Beiden ervoeren aantoonbare gewetensnood bij de uitvoering ervan — of het nu ging om het handhaven van een ineffectieve avondklok, het invoeren van discriminerende QR-systemen of het repressief schoonvegen van het Museumplein.
Maar waar Halsema zich liet verlammen door de angstbeelden van de Rule of Rescue, liet Grapperhaus zijn kritische denkvermogen gijzelen door de wetten van de politieke loyaliteit. Halsema's fout was psychologisch: ze kon de disproportionaliteit niet hard maken zonder wegingskader. Grapperhaus' fout was moreel: hij wÃst dat het disproportioneel was — hij zegt het letterlijk in het verhoor — en deed het tóch. Hij zag het. Hij hoopte dat de Kamer het zou stoppen. De Kamer stopte het niet. En toen dwong zijn democratisch-rechtsstatelijke inborst hem om de verkeerde dingen te doen, en deed hij het met volle overtuiging.
Waar Halsema voldoende narcistisch is om de emoties niet te zeer binnen te laten en te uiten, is Grapperhaus, ondanks zijn abstracte juridische opleiding, in feite veel meer een gevoelig mens, bij wie de door hemzelf gemaakte fouten vandaag/tijdens het verhoor weer keihard binnenkwamen. Maar gevoeligheid is geen deugd als het pas achteraf komt. De huilende minister is niet per se een betere minister dan de koele — zeker niet als de tranen in feite zijn verantwoordelijkheid onderstrepen.
De constitutionele schade: meer dan alleen de avondklok
De avondklok was niet zomaar een maatregel. Het was de eerste keer sinds de Tweede Wereldoorlog dat een dergelijke fundamentele vrijheidsbeperking werd opgelegd aan de gehele bevolking. Juist als minister van Justitie greep hij naar een zware, archaïsche noodwet (de Wbbbg) om het parlement aanvankelijk te passeren, wat leidde tot een constitutionele afstraffing bij de rechter door Viruswaarheid en een haastige spoedwet. Dit onderstreept zijn legalistische, repressieve reflex nog sterker. Hij schiep een constitutioneel precedent dat verder reikte dan Corona. De noodverordening als instrument om grondrechten op te schorten, de veiligheidsregio als vehikel om de democratische controle te omzeilen, de Kamer die achteraf ja knikte bij wat vooraf al besloten was — dit is niet alleen een historische anomalie. Het is een blauwdruk voor toekomstige crises. Grapperhaus was niet alleen uitvoerder van het beleid; hij was de architect van een mogelijk blijvende constitutionele verschuiving in de verhouding tussen burger en staat. En hij wist het.
Het ontbrekende wegingskader: waarom Grapperhaus zichzelf niet kon redden en niet gered kon worden door de Tweede Kamer
En hier openbaart zich dezelfde fatale lacune die ook Halsema verlamde: disproportionaliteit zonder objectief wegingskader is een hol begrip. Grapperhaus vóélde dat de avondklok disproportioneel was. Hij wÃst het. Hij hoopte vurig dat de Kamer het zou torpederen. Maar hij kon het niet hard maken — niet voor zichzelf, niet tegenover de ministerraad, niet tegenover de Kamer.
Want wat is "disproportioneel" zonder getallen? Zonder Qaly's (quality adjusted life years, ofwel het aantal jaren in 100% gezondheid)? Zonder een koele, utilistische kosten-batenanalyse die de gewonnen levensjaren van een avondklok afzet tegen de verloren levensjaren door vereenzaming, uitgestelde zorg, psychische schade en economische ontwrichting?
Het blijft een gevoel. Een knagend geweten. Een vage notie van "dit klopt niet." En een gevoel — hoe diep, hoe oprecht, hoe juridisch geschoold ook — legt het altijd af tegen de harde kreet vanuit het OMT en de ziekenhuizen in het hier en nu: "de IC's liggen vol, er gaan mensen dood, er moet nú iets gebeuren."
Precies hier faalde het legalistische systeem Grapperhaus. Niet omdat hij geen ruggengraat had — al had hij die ook niet — maar omdat hij geen instrument had. De minister van Justitie, belast met de zwaarste vrijheidsbeperkende maatregelen sinds de oorlog, had geen enkel objectief kader om proportionaliteit te toetsen. Geen Maatschappelijke Kosten/Baten Analyse. Geen Qaly-afweging. Geen cijfermatige onderbouwing die hij naast de medische urgentie kon leggen en zeggen: "Kijk, hier — per saldo kost deze maatregel meer levensjaren dan hij oplevert. Dit is niet alleen onrechtvaardig, dit is ook nog eens contraproductief. We gaan het niet doen."
De ironie wil dat dit instrument wél bestond. Ambtenaren van EZK hadden het eind maart 2020 al toegepast op de lockdown: een maatschappelijke kosten-batenanalyse die voorspelde dat het lockdown-beleid ca. 100.000 levensjaren (qaly's) zou winnen en ca. 620.000 zou kosten. Maar die analyse werd weggestopt. Grapperhaus heeft hem nooit gezien. En dus stond hij met lege handen tegenover De Jonge, tegenover Rutte, tegenover de Tweede Kamer die in dezelfde angstreflex gevangen zat. Zijn enige wapen was zijn geweten. En een geweten zonder cijfers is in een crisis net zo weerloos als een juridisch betoog zonder wetsartikel.
Zijn tragiek is niet alleen dat hij tekende. Zijn tragiek is dat het systeem hem geen enkele mogelijkheid gaf om nÃet te tekenen zonder te klinken als een gevoelige romanticus die "iets voelt bij daklozen." Een QALY-berekening had hem gered. Niet als excuus, maar als wapen tegen disproportionaliteit. Het had van zijn vage gewetensnood een harde, onweerlegbare bestuurlijke realiteit gemaakt. Zonder dat wapen was hij overgeleverd aan de moreel verwerpelijke Rule of Rescue, vermomd als democratische plicht. En hij bezweek. Zoals iedereen bezwijkt die disproportionaliteit moet bewijzen zonder de instrumenten om het te meten.
Ach ja, Befehl ist Befehl.
‘ diepe innerlijke wroeging ’
Ja, dat gevoel kreeg ik al van Grapperhaus. Die vond het echt erg moeilijk destijds. Hij zat er enorm mee, verbaast me niks.
Speaking of which: Is er nog gevraagd naar Grapperhaus’ huwelijk, vol in lockdown tijd, afgekondigd door Grapperhaus en aansluitend feest, of viel dat buiten het kader van de krokodillentranen van bovengenoemde?
Beste Jan, wat schrijf je prachtige artikelen. Sterke psychologische duidingen ook. Heel overtuigend. Ik hoop dan dat Femke en Fred (in dit geval) dit ook zullen lezen.
En meteen ook maar de complimenten voor de vele boeiende reacties van Willem.
Grapperhaus vindt dat vooral eenzame mensen en daklozen het ergst leden.
Eenzame mensen werden niet per se eenzamer door de lockdowns, omdat ze altijd een vorm van een lockdown zitten. Daklozen werden juist meer en eerder opgevangen. Vooral de sociaal actieve mensen/jongeren moesten zich wat meer aanpassen.
‘Knap’ om via n scherm zo diep in zijn ziel te kunnen kijken. Maar echt, de primaire beslissings-as..? We weten toch al lang (o.a. BomenenBos Substack) dat de NCTV al snel volledig in charge was? Het is moeilijk te vatten maar de DeepState bestaat ècht, ook in Nederland. Top ambtenaren (ABD) zijn het permanente bestuur, dus Schoof (SG)-Aalbersberg as met entourage was/is de kern. Ministers zijn tijdelijke passanten die het vaststaande lange termijn beleid in het theater van de democratie moeten verkopen. Toch?